Over de bloempjes en de bijtjes

Inleiding

Veel planten moeten bestoven worden door insecten. Pas nadat stuifmeel van een andere bloem, liefst van een andere plant, op het stempel wordt achtergelaten kan de plant zaden vormen. Voor een- en tweejarige planten is het voor het voortbestaan van groot belang dat er voldoende zaden gevormd worden. Om de insecten te lokken maakt de plant nectar aan. Dit is een belangrijke voedingsbron voor insecten. De hoeveelheid en de concentratie van de nectar zijn van belang voor het bezoekende insect. Veel nectar van een hoge concentratie betekent dat het insect niet zoveel bloemen hoeft te bezoeken. Een bloem die dit aanbiedt is aantrekkelijker dan een plant met weinig nectar. De aantrekkelijkheid voor een insect is dus belangrijk voor een plant. Immers, hoe meer insecten, hoe groter de kans op bestuiving.

Benodigdheden

Werkwijze

We gaan een aantal dingen onderzoeken. Voor het onderzoek kan je het beste planten nemen met opvallende bloemen zoals: Tormentil, Wikke sp. Vlasleeuwbekje, Boerenwormkruid, Grasklokje, Gewoon duizendblad, Moeraskers, Gele waterkers, Kattestaart, Harig wilgeroosje, Wilgeroosje, Wederik, Robertskruid, Springzaad, Vingerhoedskruid, Bosandoorn etc.

nectar aanbod meten
Met behulp van een capillairtje, een glazen buisje met een inhoud van 1 microliter, kan je nectar uit een bloem zuigen. Dit gebeurt door de capillaire werking, je hoeft dus niet zelf te zuigen. Bekijk van verschillende bloemen en van verschillende planten wat het nectar aanbod is.

zoekbeeld van insecten
Een insect bezoekt niet lukraak bloemen, maar heeft een zoekbeeld. We gaan insecten vangen en merken met een klein puntje verf. Bekijk welke bloemen de insecten bezoeken gedurende een dag. Welke insecten bezoeken welke bloemen? Is er verschil gedurende de dag?

populatiegrootte en bezoekdruk
Het maakt voor een plant uit of hij in een grote of in een kleine afgezonderde populatie staat. Een grote groep planten trekt sneller insecten aan dan een kleine. Maar een grote populatie heeft ook meer bloemen, en het hoeft dus niet zo te zijn dat in een grote populatie elke afzonderlijke bloem ook veel bezocht wordt. We gaan in twee groepen tegelijkertijd kijken bij een grote en een kleine populatie van dezelfde soort planten. Je houdt bij hoeveel insecten er in een uur de populatie bezoeken, hoeveel planten ze bezoeken en hoeveel bloemen elk insect bezoekt per plant.

bezoekduur
Elk soort insect heeft zo zijn eigen gedrag. We gaan kijken hoe lang het bloembezoek duurt per groep. Bekijk de volgende groepen: bijen, hommels, zweefvliegen en vlinders.

zaden tellen
Door de zaden te tellen kun je kijken of er tijdens de bloei voldoende insectenbezoek heeft plaatsgevonden. We gaan de zaden tellen. Maken planten van een grotere populatie meer of minder zaden aan dan planten uit een kleine populatie? Maakt het uit of een plant aan de rand van een populatie staat of in het midden? Tellen maar!

Resultaten en conclusies

Door de verschillende onderzoeken heb je waarschijnlijk een beter beeld gekregen van de bestuivings-ecologie. Probeer te omschrijven welke insecten welke planten bezoeken, hoe ze dat doen en waarom ze dat doen. Daarbij kan je je resultaten weergegeven in tabellen en grafieken.