We gaan een aantal dingen onderzoeken. Voor het onderzoek kan je het beste planten nemen met opvallende bloemen zoals: Tormentil, Wikke sp. Vlasleeuwbekje, Boerenwormkruid, Grasklokje, Gewoon duizendblad, Moeraskers, Gele waterkers, Kattestaart, Harig wilgeroosje, Wilgeroosje, Wederik, Robertskruid, Springzaad, Vingerhoedskruid, Bosandoorn etc.
nectar
aanbod meten
Met behulp van een capillairtje, een glazen buisje met een inhoud van 1 microliter,
kan je nectar uit een bloem zuigen. Dit gebeurt door de capillaire werking,
je hoeft dus niet zelf te zuigen. Bekijk van verschillende bloemen en van verschillende
planten wat het nectar aanbod is.
zoekbeeld
van insecten
Een insect bezoekt niet lukraak bloemen, maar heeft een zoekbeeld. We gaan insecten
vangen en merken met een klein puntje verf. Bekijk welke bloemen de insecten
bezoeken gedurende een dag. Welke insecten bezoeken welke bloemen? Is er verschil
gedurende de dag?
populatiegrootte
en bezoekdruk
Het maakt voor een plant uit of hij in een grote of in een kleine afgezonderde
populatie staat. Een grote groep planten trekt sneller insecten aan dan een
kleine. Maar een grote populatie heeft ook meer bloemen, en het hoeft dus niet
zo te zijn dat in een grote populatie elke afzonderlijke bloem ook veel bezocht
wordt. We gaan in twee groepen tegelijkertijd kijken bij een grote en een kleine
populatie van dezelfde soort planten. Je houdt bij hoeveel insecten er in een
uur de populatie bezoeken, hoeveel planten ze bezoeken en hoeveel bloemen elk
insect bezoekt per plant.
bezoekduur
Elk soort insect heeft zo zijn eigen gedrag. We gaan kijken hoe lang het bloembezoek
duurt per groep. Bekijk de volgende groepen: bijen, hommels, zweefvliegen en
vlinders.
zaden
tellen
Door de zaden te tellen kun je kijken of er tijdens de bloei voldoende
insectenbezoek heeft plaatsgevonden. We gaan de zaden tellen. Maken planten
van een grotere populatie meer of minder zaden aan dan planten uit een kleine
populatie? Maakt het uit of een plant aan de rand van een populatie staat of
in het midden? Tellen maar!
Door de verschillende onderzoeken heb je waarschijnlijk een beter beeld gekregen van de bestuivings-ecologie. Probeer te omschrijven welke insecten welke planten bezoeken, hoe ze dat doen en waarom ze dat doen. Daarbij kan je je resultaten weergegeven in tabellen en grafieken.