Voor dit onderzoek heb je ongeveer een hele dag nodig, afhankelijk van het gebied. De beste tijd om libellen te vangen ligt tussen 11:00 uur en 17:00 uur. Ten eerste zoek je een gebied waar verschillende biotopen voorkomen. Bijvoorbeeld de Drentse Aa, hier is een beekdal gevormd, maar hier ligt ook veel heide. Je loopt hier eerst globaal door het excursiegebied en kijkt welke soorten libellen er in het gebied zitten. Daarna ga je terug en zet je in elk biotooptype een proefvak uit. Dit is een vak van 5 m bij 50 m. Hierin tel je per soort het aantal individuen. Dit doe je bij alle biotooptypen.
De aantallen zet je keurig in een tabel. Per biotooptype geef je aan hoeveel en welke soorten libellen er voorkomen. Op basis van deze tabellen kan je ook grafieken maken. Maak een staafdiagraam waarbij je ok de x-as het biotoop zet en op de Y-as het aantal soorten. Zo kan je overzichtelijk zien hoeveel soorten in elk biotoop voorkomen. Je kan ook per biotoop staafdiagrammen maken van het aantal soorten. Zet dan op de X-as de soort en maak per soort een staaf met het aantal individuen (op de Y-as). Als dit gedaan is, kunnen de conclusies getrokken worden.
Door de grafieken te bekijken, kunnen er verschillende conclusies getrokken worden. Bijv. de Venwitsnuitlibel heeft als biotoop heide. Om dit te onderbouwen kijk je naar de resultaten en zie je bijvoorbeeld dat er veel meer individuen op de heide zijn gevangen dan ergens anders. Zo kan je de voorkeur van de verschillende soorten bepalen.
Ditzelfde onderzoek kan je bij muizen doen, alleen zal dit iets langer duren (2 dagen). Hier moet met vallen gewerkt worden en het merken door een klein stukje vacht af te knippen.