Korstmossen zijn eigenlijk een soort dubbelwezen en ze zijn, al doet de naam dat vermoeden, geen mossen-soort. Een korstmos is een samenlevingsverband (symbiose) tussen een schimmel en een alg en die vormen samen een ijzersterke formule. De schimmel bepaalt het meest de vorm en zorgt voor de opname van water en zouten. De alg is verantwoordelijk voor de kleur van de korstmos en in de groene algen vindt fotosynthese plaats. Samen kunnen de alg en de schimmel op extreme standplaatsen (zoals stenen) groeien, waar ze zich in hun eentje nooit zouden kunnen vestigen. Korstmossen kunnen optreden als indicator van de luchtkwaliteit.
Grofweg zou je de korstmossen in kunnen delen in vier groepen:
Korstmossen, en wel speciaal de korstmossen die op bomen groeien, zijn zeer gevoelig voor luchtverontreiniging. Hierdoor zijn ze in grote delen van het land verdwenen. Er zijn drie redenen aan te geven waarom verontreinigingen zo'n sterke invloed hebben op korstmossen:
De drie belangrijkste stoffen die grote invloed hebben op korstmossen zijn zwaveldioxide (SO2), ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx). Zwaveldioxide gassen, bijvoorbeeld afkomstig van industriegebieden of uitlaatgassen kunnen ervoor zorgen dat alle korstmossen verdwijnen. En zo zorgt ammoniak, afkomstig van bemesting in landbouwgebieden, ervoor dat er meer soorten komen die van een hogere zuurgraad houden. Struikvormige korstmossen zijn kwetsbaarder dan bladvormige korstmossen. Korstvormige korstmossen blijven het langst gehandhaafd bij luchtverontreiniging.
Speciale soorten geven meer informatie. Zo is Groene Schotelkorst een aanwijzing voor veel zwaveldioxide in de lucht. Gele dooiermossen houden erg van stikstof en Eikemos kan zich goed vinden in een zure omgeving. Korstmossen zijn dus geen exact meetinstrument voor de luchtkwaliteit maar geven ze wel een indicatie. Vind je in de omgeving op alle bomen geen korstmossen, dan is de lucht erg smerig. Alleen groen poeder is ook geen goed teken, dit zijn algen en geen korstmossen. Vind je alleen korstvormige korstmossen dan is de lucht nog steeds vies. Grijze bladvormige en zeker struikvormige soorten op bomen geven aan dat de lucht relatief weinig verontreinigd is. Zijn de bomen geheel bedekt met struikjes korstmossen dan is de lucht echt super schoon!
Herkennen van korstmossen:
De meeste korstmossen zijn met een 10x vergrotende loep goed te herkennen. Bij het determineren van de korstmossen spelen vooral de details van de bouw een grote rol. Je kunt de korstmossen globaal op naam brengen met een zoekkaart of echt determineren met een tabel of een flora.
Er zijn een aantal zaken waar je rekening mee moet houden als je de korstmossen op bomen gaat bekijken met als doel iets te zeggen over de milieukwaliteit:
Veel bomen langs wegen voldoen aan deze eisen.
Vergelijk de korstmossen op bomen in verschillende gebieden. Zo kun je bomen bekijken langs snelwegen, in industrie gebieden, in gebieden met landbouw, in "schone" natuurgebieden, in steden, of waar je nog maar meer kan verzinnen. Met behulp van de zoekkaart of de tabel kun je onderzoeken welke soorten er voorkomen in het bepaalde gebied en zo welke luchtomstandigheden er gelden in dat gebied. De gebieden zou je dan in kunnen delen op luchtkwaliteit, van vies naar schoon. Je kan de luchtkwaliteit ook nader toelichten (erg zuur, veel stikstof etc.). Noteer je resultaten in een tabel waarin je per gebied een aantal kenmerken aangeeft. Kloppen de resultaten met wat je zou verwachten in dat gebied. Zo nee, wat zouden de andere oorzaken kunnen zijn?
Om te kijken hoe de luchtkwaliteit zich op langere termijn ontwikkelt kun je het volgende doen: Maak op de bomen een proefvlak van 20 bij 20 cm. Teken op papier na (op schaal) hoe de schors eruit ziet en welke soorten er voorkomen. Maar goede aantekeningen welke soorten het zijn, waar de boom zich bevindt en waar het proefvlak zit. Volg deze bomen gedurende een lange periode (het liefste jaren). Veranderingen in het proefvlak kunnen zo een indicatie geven hoe de luchtkwaliteit zich ontwikkelt. Maar vergeet niet om andere invloeden ook in de gaten te houden (zoals bijvoorbeeld hoeveelheid zonlicht). Gezien de lange tijdsduur is dit onderzoek met name geschikt voor afdelingen of voor kampen die elk jaar op dezelfde plaats georganiseerd worden.